Lieve M,
Vandaag meermaals in gedachten met je gepraat. De M in mijn hoofd is een pover surrogaat voor de echte ervaring, maar het is iets. Ik deelde met jou – of deed alsof, beter gezegd –
dat ik je gemakkelijk zou kunnen aanbidden
dat het voelt als samenwonen als je mij een boodschappenlijstje stuurt
dat ik zowel opwinding als ongemak voelde bij het bekijken van een foto in een tijdschrift.
Het eerste van de drie is al gaande. Ik bedoel dat ik me ook in staat voel dat openbaar te maken. Klinkt alsof ik daarvoor over speciale vaardigheden moet beschikken, een specifieke skillset. Het gaat waarschijnlijk gewoon om overgave. Over kiezen voor wat ik wil dat mensen van me zien. Maak jij soms ook de afweging over hoe je jezelf presenteert aan de buitenwereld? Hoe doen anderen dat? Misschien hebben ze hun persona opgebouwd en trekken ze die niet meer in twijfel.
Het boodschappenlijstje dat als samenwonen voelt. We hebben nog niet alle seizoenen samen meegemaakt. Om maar te zeggen. Wel een prikkelende nieuwsgierigheid naar het ontvouwen van een toekomst samen. We zijn samen, dat weet ik – ook al praat ik zo nu en dan met een verbeelde versie van jou – maar soms voelt het zo onwerkelijk aan. Dat bedoel ik uitsluitend in de goede zin. Dat het idee van een toekomst voor ons zich als een droombeeld aftekent, een soort van paradijselijk visioen.
Dan het derde. Ben je blijven haken aan deze gedachte en wilde je meteen meer weten? Voor mij waren ze alle drie even waardevol om over te praten met surrogaat-M, om aan te stippen in een brief.
De foto is van drie vrouwen. Knappe vrouwen in witte jurken. Geknield op de vloer. Op een podium, zo lijkt het. Dus voor een publiek. Het beeld komt uit een dansvoorstelling, waarin drie vrouwen “de clichés van verleidelijkheid [laten] botsen met het uitleven van hun fysieke driften.”1 In het beeld zie je dat er meer aan de hand is dan enkel willen verleiden. Daarom voelde ik naast opwinding ook ongemak. Het riep de vraag op of mijn mannelijke blik welkom was in de wereld van deze vrouwen. Zelf bewegen ze tussen de “verstarring in de blik van buitenaf, en de genotvolle overgave aan wat het lichaam wil.”2 Het is slechts één beeld uit de voorstelling, en toch ben ik al getuige. Van hun complexiteit, die ook mijn blik vormgeeft.
Nu wordt het tricky. Want ik wil mezelf op de borst kloppen. Dat ik het inlevingsvermogen en de bereidwilligheid heb om getuige te zijn. Heb ik dat aan mezelf te danken? Of ligt het aan de kracht van kunst, die dit bewerkstelligt? Ik vrees dat er ook mensen bestaan (ik wil eigenlijk ‘mannen’ zeggen) die in hun blik hun denkwijze opleggen aan het geziene, alle complexe rijkdom van de ander ten spijt. Het is een eenzaam leven, denk ik, als je de ander niet kan zien voor wie die is. Hier valt een bruggetje te maken naar de eerste gedachte, maar dat laat ik aan jou over.
Liefs,
D