synchroniciteit

‘Ik zou liever in een psychiatrische instelling zitten dan in een rusthuis,’ zei de ene verpleegster tegen de andere. De ene werkte in een rusthuis en de andere – die in een psychiatrische instelling werkte – beaamde mompelend en met schijnbare tegenzin wat werd beweerd door haar collega.

De vertelstijl van de ene was als een bokser die je de ene directe stoot na de andere verkoopt. De reactie van de andere bleef beperkt tot ‘oh’ na elke zin.

‘Mijn tante zette haar kinderen het huis uit toen ze achttien waren. Trek jullie plan, zei ze. Jullie zijn oud genoeg.’

‘Mijn tante is alcoholieker. Haar man heeft zich al doodgedronken.’

‘Mijn nichtje kwam nog goed terecht, bij de grootmoeder. Mijn neef niet. Hij sprong in de Schelde en brak zijn schenen.’

‘Hij dronk een fles ammoniak en verbrandde zijn slokdarm.’

‘Dan sprong hij voor een trein en nog overleefde hij het.’

Op een andere trein en een ander moment, zat ik vlak voor de twee verpleegsters. Ik stopte tijdens hun gesprek met het lezen van een artikel in De Groene. Toen ik er nadien naar terugkeerde, drong het tot me door dat de tekst ging over een auteur die haar beide zonen had verloren aan zelfmoord.

Toeval. Jung noemde zoiets synchroniciteit. Een zinvolle coïncidentie die even lijkt te tonen dat er een diepere laag schuilgaat onder de werkelijkheid.

Een treinrit vele jaren geleden, terugkerend van een hoorcollege in Gent, ervaarde ik een dergelijke synchroniciteit in het kwadraat. Ik zat tegenover een ouder koppel. Naast me zat een jonge kerel in kostuum. Op zijn schoot een koffer met een muziekinstrument. ‘Ben je muzikant?’ vroeg de oudere man. ‘Ja, ik heb net opgetreden,’ zei de jongeman. De oudere man zei dat ze net naar een uitvoering van de orkestsuites van Bach waren geweest. ‘Daarin heb ik meegespeeld,’ zei de jongeman. Het oudere koppel lachte hartelijk om het toeval. Ik stopte met lezen, te verbluft over wat er gaande was. De titel van het boek dat ik op dat moment aan het lezen was: De muziek van het toeval.