steden van geluk

De ontstaansgeschiedenis vind ik soms boeiender dan het gedicht zelf. Hoe het zich heeft geschreven, buiten mijn wil om of met mij als louter woorddelver. De tekst van 7 september bestaat uit gesprokkelde zinnen over een periode van vijf jaar, genoteerd in mijn schetsboekje en daar achtergelaten. Tot ik ze eergisteren samenraapte en merkte dat ze iets te vertellen hadden.

Het gedicht van vandaag heeft een heel andere ontstaansgeschiedenis. Ik was aanwezig bij de opbouw van een tentoonstelling (check it out here) en er kwamen in één vloeiende beweging zes gedichten uitgerold. Later plukte ik een paar regels weg uit elk gedicht om iets anders gezegd te krijgen, iets wat lag te wachten op de woorddelver.

Steden van geluk

Ik woont in alledaagsheid.
Ik reflecteert, zuigt longen vol
van snel voorbijdrijvende wolken.

Ik spiegelt de ander
in aangespoeld drijfhout
op de trottoirs van Stad.

Ik schuilt in de regen,
danst in een uitdijend hoekje –
compromisloos.

Ik komt tot leven
in een blik
gevangen door cameraogen
ter hoogte van de duiven.

Ik drijft in zeepbellen
door Stad
verbeeld door de ander
doorprikt door de ander.

Ik blinkt in spijkers
kromgetrokken
door werkvrouwen
en mannen uit oude huizen.

Ik verkruimelt tot
kortstondig geluk
in snavels van duiven.

Ik bouwt goudgerande
altaren uit berk, balsa,
kroonkurken, lucifers, botervlootjes
en ventilatorwieken.

Ik inkt de voeten
van voorbijgangers,
doopt kinderen als
veerpennen in voorouderlijke poelen.

Ik schommelt van de ander
naar het zelf aan
gerafeld engelenhaar.

Ik stemt de doden af
op de levenden,
bloesemt buiten Stad
een nageslacht.