na het einde

In het blauw van de nacht schrijft hij haar.

Boven de Noordzee als goudroodbruin woestijnstof

te fijn voor pointillisten haar hemels gezicht.

Haar snijtanden bijten snedige zinssneden aan flarden.

Kadavers daveren uit het kader.

Met goede bedoelingen plavei je de straten, zei ze ooit.

Hij spreekt tegen

Wat derden over hem beweren.

Hij spreekt tegen

Wat door een roeptoeter schalt en weergalmt.

Hij spreekt tegen

Zichzelf – hun wegen humorloos uit elkaar gelopen.

In ’t zwart van ’t laffe hart

ontspringt een man de dans.

Het afscheid verkruimelt tot een doodse stilte.

Aan de nachthemel tussen de sterren,

Tussen de sterren in het duister, woont haar antwoord.