sonnettenkrans xii

XII

In het vizier een veilige haven.

Kadavers daveren uit het kader.

het ging van ’t is erg genoeg naar kwader.

ik heb jou en mij ten grave gedragen,

in alle waanzin weer opgegraven.

Over rotsen zo glad als de tijd klatert

mijn schuldgevoel steeds zachter. Het water

aan de lippen, een heildronk. Mij laven

aan de rampspoed is het overstijgen.

Ons magnetisme heeft zich omgedraaid.

Van je telepathie ben ik bevrijd.

We zitten elk in onze hoek uit te hijgen.

Onze wonden gereinigd en dichtgenaaid,

gaan we op zoek in onszelf naar eenheid.