sonnettenkrans xi

XI

In de spiegel, loert de weg vooruit

en in het spelen met durf. Dus ik spring

zoals ‘n heldin in ‘t ongewisse springt.

Eerst kruip ik, als ‘n vervellende slang uit

mijn woorden. Maar dan ga ik springen, uit

de band, uit mijn vel, in het oog. Ik spring.

huizen hoog, voor jou in de bres. Ik spring

in de diepte van onze zee. Niet uit

het raam, nee, het gebouw stond niet in brand.

De vlammen waren slechts inbeelding. De oorlog

klonk nog veraf, maar hier ging het knagen.

Het hoofd was bezet gebied, vroeg bijstand.

Wees-gegroet Marías in mijn kielzog

In het vizier een veilige haven.