IX
Zwevend in ‘t ongewisse tussen mij en jou
grijp ik mijn ballen voor houvast, hey jow
Ik ben platvloers, en dan plots weer high brow.
Ik provoceer en wil een powervrouw.
Mi coraçao verjaagt de winterkou.
Jij bent het snoepje en ik de zoetekauw
Jouw lijf en ziel is wat ik hier beeldhouw
asjemenou, dat maakt jou mijn droomvrouw.
Doe ik eens gek, dan voel ik me beschaamd.
Ik voel me naakt en oordeel erop los.
In mijn zelfbeeld past geen polariteit.
Maar ’k ben met veel, wij zijn nooit uitgeraasd.
Ik zie, ik zie, veel bomen maar geen bos.
Kben nooit alleen, verscheurd in solitude.