Sonnettenkrans II

Heeft Shakespeare ooit gemeowd als een kat in zijn sonnetten? In zijn toneelteksten ongetwijfeld wel. Daarin voerde hij hier en daar wel eens een excentriek personage op. Dit sonnet, mijn tweede, beweegt al een beetje in de richting van het uitzinnige, maar het mag nog meer zijn. Ik wil het kunnen voordragen als een bezetene. Iets wat geketend is, wil zich bevrijden. Het zal via de taal moeten gebeuren.

II

Een dode geliefde is niet wat ik wou.

Oh schone jonkvrouw, ik doe niet flauw

over onze vrijage. Meow meow.

ik vleide me in jouw leeuwenklauw.

Op honey moon naar Curaçao, honingdauw

jouw ogen petrolblauw, één vonk ‘k was van jou

kraamvrouw van mijn hartenkreetjes, klimtouw

uit elk klotegevoel, het voelde hondstrouw

tot er voor mij echt niks anders op zat.

De bodem van ons bestaan oogde dor.

Elk rozenbed of hemelbed werd een leeg bed.

Chrysanten grafbloemen, lelies op ‘t pad

weg van jou. Ik schreeuw me leeg, lach me schor.

Ik herdenk je in elk vloekend gebed.