Sonnettenkrans I

23 december is meer dan een maand geleden, toen het idee van een sonnettenkrans wortel schoot. Veertien sonnetten, die elk hun veertiende en laatste vers aan het meestersonnet schenken. Ik vroeg me af, als ik over de wreedheid van de liefde zou schrijven in alle sonnetten, hoe het meestersonnet er dan zou uitzien. Als een vernietiging van of toch een ode aan die liefde? Ik heb al een titel voor de tekst als geheel. De tekst die ik voordraag op uitnodigende podia en waar de woorden bezieling krijgen, die ook hier bestaansrecht krijgt, als eerste sonnet van de bijna-moordballade.

I

Sluit de liefde op in een gouden kooi.

Graaf een put in de modder van onze zee.

Berg de sleutel, volg de golfslag gedwee

tot je ogen open vallen, ten prooi

vallen aan de lichtheid. De zon zo mooi

waar de rivier kust de mond van de zee.

Zacht de zwaluw zingt je hartenlied mee

met sirenen vlak na hun geflikflooi.

Het huis rond de vergulde kooi oogt grauw.

De tuin rond het huis is overwoekerd.

Aan muren hangen foto’s in de kou.

Eb trekt aan mij en vloed vloeit door jou.

In gedachten was ik de hoeder.

Een gedode liefde is niet wat ik wou.