SONNETTENKRANS

Toevallig weer een magisch deurtje in de taal ontdekt.

Als je sonnetten aan elkaar vlecht volgens een welbepaalde techniek dan krijg je een sonnettenkrans.

Elk sonnet veertien regels.

Een krans veertien sonnetten.

Een sonnet is een keurslijf, onderhevig aan regels en volgens een rigide patroon vormgegeven. De krans is daar een uitvergroting van. Denk je dan dat het toeval is dat het getal veertien twee keer terugkomt?

Als je van elk sonnet de laatste regel neemt, dan vormt zich wat men noemt “het meestersonnet”. In sommige landen wordt dit als eerste geschreven en spreekt men eerder over een “moedersonnet” – de moederschoot waaruit de andere veertien gedichten ontspruiten.

Beide manieren dienen vooral om het ingenieuze spel met woorden van een krans te benadrukken. De overtreffende trap is de sonnettenkransenkrans. Ja, ik wil het graag simpel houden, dus nee, dat ga ik niet uitleggen.

Het is duidelijk dat je kan valsspelen door het meestersonnet als eerste te schrijven of op zijn minst erop te anticiperen. Maar waarom zou je? Misschien is er meer aan de hand, staat er meer op het spel. Geen taalvirtuositeit maar taalalchemie.

Dat ene sonnet, het meestersonnet, het zou geen meester hebben. Het zou worden gecomponeerd door veertien verzen weg te plukken en aan elkaar te rijgen tot een gedicht, tot een boodschap. Van wie komt die boodschap? Wat zou er precies in staan? Er is maar één manier om erachter te komen.