Flessengeluk

Als de tagline als volgt luidt: ‘man wil meisje redden van verklote wereld maar komt zelf bedrogen uit’, hebben we dan te maken met een klassieke held in de mannenrol? Hoe weerloos is het meisje? Hier volgt de openingsscène van Flessengeluk.

‘Ik kan wel een muur vermoorden met mijn vuisten.’

Zijn antwoord was op zijn zachtst gezegd ongewoon. De woorden kwamen er onverschillig uitgerold, alsof hij er zelf amper erg in had. Hij hoorde hoe bespottelijk en bruut hij klonk. Het meisje was jong, veel te jong om zijn chagrijn in haar gezicht geslingerd te krijgen. Al even ongewoon was dat zij aan een wildvreemde op straat vroeg hoe het met hem ging.

Fak dit,’ zei de vriendin van het meisje, ‘laten we gaan.’

Maar het meisje gaf haar vriendin een geruststellend knikje en dito blik. Iets in haar verschijning – een schaamteloze wildheid in haar ogen – vertelde hem dat ze van het Broek afkomstig was. Het was de enige reden waarom hij niet gewoon doorliep. De vriendin had haar schouders opgehaald en was ondertussen verder gelopen. Niet zonder enig gevaar kruiste ze de hoofdstraat van Z. Een zelfrijdende taxi die geruisloos naar zijn aanmeerstation op het dorpsplein gleed, toeterde haar van de weg. Strooiend met middelvingers naar het onbemande voertuig bereikte de vriendin de stoep aan de overkant. Niemand kon het laten om met ze te interageren, dacht de man bij zichzelf. Hij voelde het meisje twee keer in zijn bovenarm porren.

‘Fran,’ zei ze, met een hoofdknikje dat haar hele lijf benoemde, het leek aan te prijzen.

‘Aangenaam,’ mompelde hij met opeengeklemde kaken.

Het was bloedheet onder de brandende zon. Het meisje trok hem een gesprek in. De muur en de vuisten werden niet meer genoemd. Hoe hij doorgaans zijn dagen vulde, wilde ze weten, terwijl haar vingers voor haar uit fladderden, een waaier waarmee ze zichzelf koelte toewuifde. Of de aandacht op haar boezem wilde vestigen. Met complete desinteresse keek hij toe hoe een zweetdruppel over haar huid gleed, naar het kuiltje tussen haar borsten.

‘Dus je geeft les?’ vroeg ze.

‘Ik ben thuis gezet,’ loog hij. ‘Wegens lerarenoverschot.’

Hij was het werk beu, het leven beu waar hij was ingerold. Hij was zichzelf beu. Hij wilde zo graag iemand anders hiervan de schuld geven, maar het zou onterecht zijn. Hij moest de schuld maar zelf zien te torsen. Dus nam hij ontslag, voor een bezinningsmoment dat al enkele maanden aan de gang was. In plaats van te bezinnen, en te mediteren bijvoorbeeld, dronk hij en dacht hij aan muren te lijf gaan.

‘Hoe noemden je leerlingen jou?’ vroeg Fran.

‘Meneer Silver.’ Hij antwoordde in weerwil van zichzelf. ‘Noem me gewoon Cam.’

De leerlingen hadden zijn familienaam verbasterd. Hij deed alsof het hem een alternatieve identiteit gaf met speciale krachten. Maar het enige wat in hem aan kracht won, was de zelfhaat. Kon hij maar het punt bepalen, dat god weet hoe ver achter zich lag in een troebel en onbezocht verleden, waar hij zichzelf was kwijtgeraakt. Zelfhaat was niets anders dan gestolde zelfverloochening.

Van hogerhand kwam er ook geen hulp. Het nationale decreet NDN4 dat de leerplicht had afgeschaft, had Cams job uitgehold tot leider van een tienerdagverblijf. Men zei: meer zelfbeschikking en vrijheid bij de bevolking. Men bedoelde: een brein hoefde niet slim te zijn om te consumeren, nog minder om geconsumeerd te worden.

Leer, studeer en verrijk jezelf met kennis. Allesbehalve dit, wat je hier probeert te bereiken.

  In gedachten sprak hij het meisje toe. Ze pivoteerde op de bal van haar voet, als de gespeeld schuchtere lolita in talloze boeken die ze nooit zou lezen, nooit had moeten imiteren. Wat een zonde. Cam voelde hoe hij zijn linkerhand al de hele tijd tot een vuist kneep. De oren van de witte plastic tas sneden in de muis van zijn hand. Hij ontspande zijn greep. Het bloed stroomde weer naar de vingers. In de tas klingelden blikjes tegen een glazen fles.

‘Zo, meneer Silver,’ zei Fran, die vruchteloos een grijns onderdrukte, ‘waarop zullen we klinken?’