‘What if you could stop thinking right now, what would you say?’
‘You’re an idiot.’
‘Why would you say that?’
‘You have the worst pick-up line ever.’
‘Just so we’re clear: I’m not picking you up.’
‘You’re damn right you’re not.’
Ik zit in de trein naar huis. Van Antwerpen-Centraal tot Z. Ik moet grinniken met de dialoog die ik net in mijn zwarte notitieboekje krabbel. Een flauw knorrend lachje. Ik kijk op, recht in het gezicht van het meisje tegenover me. Ze wiegt zachtjes mee op de bewegingen van de trein.
‘Mag ik je iets vragen?’ vraag ik.
‘Ja, tuurlijk,’ antwoordt ze.
‘Ik heb net een korte dialoog geschreven die goed zou passen als het begin van een kortverhaal. Maar ik weet niet hoe waarheidsgetrouw het precies is. Mag ik de eerste zin op jou uitproberen?’ vraag ik.
‘Euh.’
Ze had blijkbaar een ander soort vraag verwacht. Of deze trein doorrijdt naar Gent-Dampoort. Zoiets.
‘Ja, oké,’ zegt ze na een pauze. ‘Waarom niet.’
Ik knik. Ik kijk heel serieus in mijn notitieboekje, naar de eerste zin op het blad zonder lijntjes. En dan kijk ik haar opnieuw aan.
‘Als je nu meteen zou kunnen stoppen met denken, wat zou je dan zeggen?’
Een bulderlach doet me opschrikken. Ook het meisje schrikt ervan.
‘Ha!’ De man schuin tegenover me, aan de andere kant van het gangpad, proest het uit. ‘Gast, wat een zielige vertoning. Waarom doe je dat nou?’
‘Wat dan?’ vraag ik.
‘Het doen uitschijnen alsof het echt is,’ zegt de man, ‘terwijl het dat duidelijk niet is.’
‘Oh nee?’
‘Natuurlijk niet,’ grijnst de man. ‘Je moet zelfs mij uitvinden om een zinnig einde te bedenken. Je kleine rollenspel met de jongedame – wie ze ook mag zijn – is al uitgespeeld.’
Even blijf ik stil. Ik wil hem vragen of er dan niks echt aan is.
‘Natuurlijk wel,’ zegt de man. ‘Maar de waarheid valt niet altijd zwart op wit vast te stellen.’